DE FILOSOFIE VAN DE VOORMIDDAG
(1)
Als de priester zijn mis voltooid heeft, komt hij terug voor zijn sermoen, het kruis in de hand. De stem van van de priester is zwak, hij is bovendien niet van plan om te roepen. Na zijn eerste vier, vijf zinnen, of al vroeger, schuiven de gelovigen die nog gebleven zijn, allemaal naar voren om dichtbij hun priester te staan en om alles wat hij te zeggen heeft, op te nemen - in intieme kring, zou je kunnen zeggen. Want zij, zondaars, moeten ervan leven. (Russische kerk)
Het leven is leren rechtop staan, zingt Willem V. Is het daarom dat de Russische gelovigen staan (en de westerse zitten)? En wij willen wandelen?
Het is verrukkelijk om 's voormiddags te kunnen lezen, maar toch nooit al te lang want na een tijdje komt de 'dadendrang' opzetten: je wil iets schrijven, of tekenen, je wil iets 'rechtzetten'. (Hoeveel werk heb jij met 'rechtzetten'!)
Laat mij nog wat jaren
tussen mijn boeken zijn.
Stilte van voormiddagen
bewaren, alleen in het riet,
schuw als de reiger,
jou benoemend in mijn taal.
Ze gaat langs haar grenzen
zodat ze dreigt te verdwalen
en verdwijnen, vermist
in het niets van jaren,
terwijl de klokken (buiten)
uur na uur bepalen
hun vakgebied
van zijn en tijd.
Ida G. schrijft dat haar familie er altijd tegen was dat ze schreef. Iets gelijkaardigs heb ik ook steeds gevoeld, alsof er paniek uitbrak als je het deed (vooral bij moeder, die later zelf zo graag zou schrijven en schrijven als haar overlevingstactiek gebruikte in de jaren van alleen overblijven), alsof je geheimen op straat ging gooien (ja!), alsof je schrijven per definitie hetzelfde was als indiscretie. Toch valt er niet te schrijven zonder ook veel te verzwijgen en zonder de kunst van het zwijgen.
Niets is zo tegengesteld als Ida Gerhardt en Lucebert en toch leefden zij -hoewel met een ruime generatie verschil- tegelijkertijd. Kun je hen ook gelijktijdig bewonderen? Of slechts beurtelings?
Zonde is beter dan geen zonde, zonde is misschien zelfs beter dan onschuld, want de zondaar kan zich bekeren en zich door zijn zonde verjongen. En Aljoscha dan?
Het lange leven kan ook een straf zijn: dat je zolang met jezelf opscheept zit en dan nog: het alleen overblijven, omgeven door zovele doden die vragen stellen.
Op oudejaarsdag met V. (die zwanger is, maar niemand weet het) op haar verzoek Silsburg bezocht en haar alles laten zien: het kerkhof (dat meer aan chrisanten doet denken dan aan mijn vaders -en haar grootvaders- verdwenen graf), de Boterlaarbaan (met het verdwenen huis, de onteigende grond, de autoweg in de plaats). De plaatsen van mijn kindertijd: alle sporen zijn uitgewist, maar daarom zo sprekend de brokstukken die aan de kant zijn blijven liggen: huizen van grootooms en groottantes staan er nog in het rond links en rechts van de baan (Jef, Jules, Jakke, Fons en Lida) en dat van de buren (de familie Rens). De hoek van de weg, het begin van een pad, een haag, een gracht: veel meer is er niet en moet er ook niet zijn. Aan het eind van de oude weg lijkt bijna een landschap te beginnen. We moeten het van stukken en brokken hebben, met wat rest. "Het Boterlaar is geen zaak van duizenden maar van miljoenen", jaja, vandaar. Vanuit de tuinen kun je de oude toren van het kerkhof nu zien liggen en er lopen schapen in deze verre uithoek van de stad (vroeger nooit). Eigenaardig: mijn vader die in die buurt een inwijkeling was en er een buitenstaander bleef, een onintegreerbare immigrant, is de enige uit de buurt die ooit op dat kerkhof gelegen heeft. Ik hoor nog het onzevader dat we er zeiden tot slot voor we terug naar huis gingen en hem achterlieten voorgoed. Er heeft nooit niets meer dan een houten kruis gestaan. Tot onze vreugde loopt er nu een GR langs de binnenweg naar het Scheersel in Wommelgem: we herkennen de rood-witte streepjes niet zonder een gevoel van ironie. Alsof we tussen toeristische bezienswaardigheden onderweg zijn. Het Schijn over, de Rijksweg, langs het fort van Wommelgem (waar de eenden op het ijs staan), door de velden met hun oude schoorstenen en serres aan de nabije horizon: de weg die ik vroeger graag met de fiets deed en waar de sfeer gebleven is. Alsof je je eigen weg door anderen herondekt.
Alsof ook die onteigend is. We bereiken voor het begin der feestelijkheden en de duisternis nog Zevenbergen en Ranst en zitten gelukkig naast elkaar in de bus met onze eigen schat en de gesprekken van die dag die over het nageslacht gingen.
's Avonds wil je een gedicht lezen, maar bij het aanbreken van de dag wil je een gedicht maken.
In plaats van "op staande voet" "op lopende voeten". (Een boek over het leven begin 21ste eeuw?)
's Morgens de vrije uren, als de geliefde of het kind nog slaapt. Waarom wenste je ooit alleen te zijn? Hoe heerlijk op zich de tijd en het stille bezinnen "op enen berg alleen", terwijl het dal nog slaapt of langzaam ontwaakt. Jij hebt de zon zien opkomen. (Boven op de Monte Bregagno, de eerste keer op de top in 1999, zondagmorgen, beneden mij het geroep van de geitenhoeder en het blaffen van zijn hond, hoe verweg al en dan nog veel, veel dieper weg het luiden van klokken in de dorpen beneden.)
Als eindelijk de morgen aangebroken is en de grote sneeuwvlakte van de voormiddag komt in zicht waarnaar de schansspringer al onderweg is, kun je dan je eigen tijd en vaart onderbreken om bv. een krant te gaan kopen?
De spreuk van de voormiddagfilosoof: "Ich erleuchte mich durch Unermessliches". De Ingeborg Bachmann-versie van het Ungaretti-gedicht: "Mattina.// M'illumino / d'immenso."
Vroeger opstaan dan nodig is -om een boek te lezen waardoor je zonder enige uiterlijke noodzaak gebeten bent of om verder te tekenen aan een potret waaraan je begonnen was- is waarschijnlijk de belangrijkste wilsoefening die er is: het heeft je nooit moeër gemaakt, het heeft je nooit uit je humeur gebracht, het heeft je je beste dagen geschonken en zeker je beste voormiddagen.
(Peter Handke: "Dazu hätte ich früher aufstehen müssen...." Schrijft hij daarover in het essay over de gelukte dag?)
De elite waarbij je zou willen horen - de enige- is die van de vroeg-opstaners, met het zicht op de voormiddag. Niemand is meer gelukkig te prijzen dan degene wiens ochtend en voormiddag van hemzelf en zijn god is. Wie dat heeft, kan weinig meer ontnomen worden, vrees ik .
Wanhoop al vroeg in de ochtend? Ja natuurlijk, dat kan, en waarschijnlijk is er geen grotere wanhoop, de wanhoop omwille van het begin van de dag.
Ik zit te schrijven op de grens van de voormiddag en het begint zachtjes te sneeeuwen.
Als je een brief geschreven hebt, is het normaal en geoorloofd om naar buiten te gaan en hem te posten -mogelijk moet je een postzegel kopen-, liefst te voet.
"De dag schuift voor de Dag/ lijk een lucht vol rozen". (Karel van de Woestijne).
Favoriete heiligen? Franciscus? Serafim Sarowski? Willibrordus? Voetgangers? Heiligen alleen onze voeten ons nog?
(wordt vervolgd)
Als de priester zijn mis voltooid heeft, komt hij terug voor zijn sermoen, het kruis in de hand. De stem van van de priester is zwak, hij is bovendien niet van plan om te roepen. Na zijn eerste vier, vijf zinnen, of al vroeger, schuiven de gelovigen die nog gebleven zijn, allemaal naar voren om dichtbij hun priester te staan en om alles wat hij te zeggen heeft, op te nemen - in intieme kring, zou je kunnen zeggen. Want zij, zondaars, moeten ervan leven. (Russische kerk)
Het leven is leren rechtop staan, zingt Willem V. Is het daarom dat de Russische gelovigen staan (en de westerse zitten)? En wij willen wandelen?
Het is verrukkelijk om 's voormiddags te kunnen lezen, maar toch nooit al te lang want na een tijdje komt de 'dadendrang' opzetten: je wil iets schrijven, of tekenen, je wil iets 'rechtzetten'. (Hoeveel werk heb jij met 'rechtzetten'!)
Laat mij nog wat jaren
tussen mijn boeken zijn.
Stilte van voormiddagen
bewaren, alleen in het riet,
schuw als de reiger,
jou benoemend in mijn taal.
Ze gaat langs haar grenzen
zodat ze dreigt te verdwalen
en verdwijnen, vermist
in het niets van jaren,
terwijl de klokken (buiten)
uur na uur bepalen
hun vakgebied
van zijn en tijd.
Ida G. schrijft dat haar familie er altijd tegen was dat ze schreef. Iets gelijkaardigs heb ik ook steeds gevoeld, alsof er paniek uitbrak als je het deed (vooral bij moeder, die later zelf zo graag zou schrijven en schrijven als haar overlevingstactiek gebruikte in de jaren van alleen overblijven), alsof je geheimen op straat ging gooien (ja!), alsof je schrijven per definitie hetzelfde was als indiscretie. Toch valt er niet te schrijven zonder ook veel te verzwijgen en zonder de kunst van het zwijgen.
Niets is zo tegengesteld als Ida Gerhardt en Lucebert en toch leefden zij -hoewel met een ruime generatie verschil- tegelijkertijd. Kun je hen ook gelijktijdig bewonderen? Of slechts beurtelings?
Zonde is beter dan geen zonde, zonde is misschien zelfs beter dan onschuld, want de zondaar kan zich bekeren en zich door zijn zonde verjongen. En Aljoscha dan?
Het lange leven kan ook een straf zijn: dat je zolang met jezelf opscheept zit en dan nog: het alleen overblijven, omgeven door zovele doden die vragen stellen.
Op oudejaarsdag met V. (die zwanger is, maar niemand weet het) op haar verzoek Silsburg bezocht en haar alles laten zien: het kerkhof (dat meer aan chrisanten doet denken dan aan mijn vaders -en haar grootvaders- verdwenen graf), de Boterlaarbaan (met het verdwenen huis, de onteigende grond, de autoweg in de plaats). De plaatsen van mijn kindertijd: alle sporen zijn uitgewist, maar daarom zo sprekend de brokstukken die aan de kant zijn blijven liggen: huizen van grootooms en groottantes staan er nog in het rond links en rechts van de baan (Jef, Jules, Jakke, Fons en Lida) en dat van de buren (de familie Rens). De hoek van de weg, het begin van een pad, een haag, een gracht: veel meer is er niet en moet er ook niet zijn. Aan het eind van de oude weg lijkt bijna een landschap te beginnen. We moeten het van stukken en brokken hebben, met wat rest. "Het Boterlaar is geen zaak van duizenden maar van miljoenen", jaja, vandaar. Vanuit de tuinen kun je de oude toren van het kerkhof nu zien liggen en er lopen schapen in deze verre uithoek van de stad (vroeger nooit). Eigenaardig: mijn vader die in die buurt een inwijkeling was en er een buitenstaander bleef, een onintegreerbare immigrant, is de enige uit de buurt die ooit op dat kerkhof gelegen heeft. Ik hoor nog het onzevader dat we er zeiden tot slot voor we terug naar huis gingen en hem achterlieten voorgoed. Er heeft nooit niets meer dan een houten kruis gestaan. Tot onze vreugde loopt er nu een GR langs de binnenweg naar het Scheersel in Wommelgem: we herkennen de rood-witte streepjes niet zonder een gevoel van ironie. Alsof we tussen toeristische bezienswaardigheden onderweg zijn. Het Schijn over, de Rijksweg, langs het fort van Wommelgem (waar de eenden op het ijs staan), door de velden met hun oude schoorstenen en serres aan de nabije horizon: de weg die ik vroeger graag met de fiets deed en waar de sfeer gebleven is. Alsof je je eigen weg door anderen herondekt.
Alsof ook die onteigend is. We bereiken voor het begin der feestelijkheden en de duisternis nog Zevenbergen en Ranst en zitten gelukkig naast elkaar in de bus met onze eigen schat en de gesprekken van die dag die over het nageslacht gingen.
's Avonds wil je een gedicht lezen, maar bij het aanbreken van de dag wil je een gedicht maken.
In plaats van "op staande voet" "op lopende voeten". (Een boek over het leven begin 21ste eeuw?)
's Morgens de vrije uren, als de geliefde of het kind nog slaapt. Waarom wenste je ooit alleen te zijn? Hoe heerlijk op zich de tijd en het stille bezinnen "op enen berg alleen", terwijl het dal nog slaapt of langzaam ontwaakt. Jij hebt de zon zien opkomen. (Boven op de Monte Bregagno, de eerste keer op de top in 1999, zondagmorgen, beneden mij het geroep van de geitenhoeder en het blaffen van zijn hond, hoe verweg al en dan nog veel, veel dieper weg het luiden van klokken in de dorpen beneden.)
Als eindelijk de morgen aangebroken is en de grote sneeuwvlakte van de voormiddag komt in zicht waarnaar de schansspringer al onderweg is, kun je dan je eigen tijd en vaart onderbreken om bv. een krant te gaan kopen?
De spreuk van de voormiddagfilosoof: "Ich erleuchte mich durch Unermessliches". De Ingeborg Bachmann-versie van het Ungaretti-gedicht: "Mattina.// M'illumino / d'immenso."
Vroeger opstaan dan nodig is -om een boek te lezen waardoor je zonder enige uiterlijke noodzaak gebeten bent of om verder te tekenen aan een potret waaraan je begonnen was- is waarschijnlijk de belangrijkste wilsoefening die er is: het heeft je nooit moeër gemaakt, het heeft je nooit uit je humeur gebracht, het heeft je je beste dagen geschonken en zeker je beste voormiddagen.
(Peter Handke: "Dazu hätte ich früher aufstehen müssen...." Schrijft hij daarover in het essay over de gelukte dag?)
De elite waarbij je zou willen horen - de enige- is die van de vroeg-opstaners, met het zicht op de voormiddag. Niemand is meer gelukkig te prijzen dan degene wiens ochtend en voormiddag van hemzelf en zijn god is. Wie dat heeft, kan weinig meer ontnomen worden, vrees ik .
Wanhoop al vroeg in de ochtend? Ja natuurlijk, dat kan, en waarschijnlijk is er geen grotere wanhoop, de wanhoop omwille van het begin van de dag.
Ik zit te schrijven op de grens van de voormiddag en het begint zachtjes te sneeeuwen.
Als je een brief geschreven hebt, is het normaal en geoorloofd om naar buiten te gaan en hem te posten -mogelijk moet je een postzegel kopen-, liefst te voet.
"De dag schuift voor de Dag/ lijk een lucht vol rozen". (Karel van de Woestijne).
Favoriete heiligen? Franciscus? Serafim Sarowski? Willibrordus? Voetgangers? Heiligen alleen onze voeten ons nog?
(wordt vervolgd)

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home