maandag, maart 12, 2007

HET LEVEN KANTELT

Dat ik de teerling zo van de ene kant
De andere kant op wierp dat uiterste

Getallen elkaar raakten op de snee.
Eerst tot in het dal van levenden en doden,

Dan tot in de diepte van de moederschoot
Waar geslachten ruisen in elkaar tot bloeisel

Onbekend. Tweemaal in ’t hospitaal
Met het flikkerend licht dat rakelings

Langs het hart de weg der zielen snijdt.
Daar komt de aanzet van een onverwacht gedicht.

Zeer dicht bij vrijheids venstergaten,
Zeer hoog in ’t licht van ikgeboorten.

Daar wandelt al mijn tegenbeeld
Kanalen door de wolken. Neemt me

Te pakken straks en zet me schrap
Voor jaren ophoping van vonken.

WILBERT LAMBRECHTS, uit:
DISTICHON of het spoor van dag en nacht.