VROEGTE
Wakker zijn als het licht wordt
en dan al uitgeslapen zijn, is ‘t niet het toppunt
voor een levenskunstenaar? Je houdt
ook wel van stilte in de nacht
zeker bij een smeulend vuur,
en het donker worden is eveneens
een uur waarop het spreken anders wordt.
Het kan echter ook onrustig maken
en zelfs lichtjes angst aanjagen.
De mensen komen samen en eten
dan iets warms als ze voltallig zijn.
Hier zie je niemand die nog ronddwaalt
door de straten van het oud gehucht.
Zelfs de brommers en de jonge dames
verdwijnen van het plein.
Hoe anders
is de morgen een zaak van een enkeling.
Hij wil het onderste uit de kan. De geluiden
vallen best nog mee. Er wordt door
de meesten nog geslapen en gezwegen.
De boer is bij zijn dieren voor de melk
en een eerste bus rijdt al naar de stad.
Hij is maar halfbevolkt hoewel met
steeds dezelfde zonderlinge
eenzatenverzameling van de vroegte.
Sommigen komen nu terug van de nacht
en moeten nog gaan slapen. Anderen hebben
iets speciaals voor met de nieuwe dag.
Een heel stuk
verder gaan dan je gewoonlijk
doet, is een goed motief. Je wil over
een grens geraken voor het schilderij
van de overkant. Je ziet Kandinsky
in de stad of je leest een heel bijzonder boek
dat je wekker overbodig maakt ineens.
Voor jou is de dag een geschenk van
de engel van de tijd als je zo vroeg al
tot een eerste bladzijde bent gekomen
die met de nacht vanzelf is meegevloeid:
een dictaat en een improvisatie tegelijk,
iets definitiefs al en toch ook
spel van’t eerste licht.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn.
Monologen uit Pianello 1997.p. 46
Berchem, 2002
en dan al uitgeslapen zijn, is ‘t niet het toppunt
voor een levenskunstenaar? Je houdt
ook wel van stilte in de nacht
zeker bij een smeulend vuur,
en het donker worden is eveneens
een uur waarop het spreken anders wordt.
Het kan echter ook onrustig maken
en zelfs lichtjes angst aanjagen.
De mensen komen samen en eten
dan iets warms als ze voltallig zijn.
Hier zie je niemand die nog ronddwaalt
door de straten van het oud gehucht.
Zelfs de brommers en de jonge dames
verdwijnen van het plein.
Hoe anders
is de morgen een zaak van een enkeling.
Hij wil het onderste uit de kan. De geluiden
vallen best nog mee. Er wordt door
de meesten nog geslapen en gezwegen.
De boer is bij zijn dieren voor de melk
en een eerste bus rijdt al naar de stad.
Hij is maar halfbevolkt hoewel met
steeds dezelfde zonderlinge
eenzatenverzameling van de vroegte.
Sommigen komen nu terug van de nacht
en moeten nog gaan slapen. Anderen hebben
iets speciaals voor met de nieuwe dag.
Een heel stuk
verder gaan dan je gewoonlijk
doet, is een goed motief. Je wil over
een grens geraken voor het schilderij
van de overkant. Je ziet Kandinsky
in de stad of je leest een heel bijzonder boek
dat je wekker overbodig maakt ineens.
Voor jou is de dag een geschenk van
de engel van de tijd als je zo vroeg al
tot een eerste bladzijde bent gekomen
die met de nacht vanzelf is meegevloeid:
een dictaat en een improvisatie tegelijk,
iets definitiefs al en toch ook
spel van’t eerste licht.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn.
Monologen uit Pianello 1997.p. 46
Berchem, 2002

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home