zondag, maart 25, 2007

INTERTAAL

Blijf achter op het strand
en oefen je zelfstandige naamwoorden,
werp ze als keien botsend
op het golvende water.
Zeg occhio of focolare
en wacht tot je hoort
colomba, fiume of arancia.
Een laatste voorbijganger verbetert je zinsbouw
in looppas. Je vangt op wat hij
een kameraad te bieden heeft,
je leeft van zijn afval van gezang
en melodie. Je hoort scherper dan
het geluid der scherven: chiaro,
giorno, giardino, cielo,
terwijl het toch donker wordt
aan deze zijde van de heuvels
en verdronken woorden je nog naroepen:
miraggio, aria, morte, forse, perché .


WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002.