TAAK
TAAK
Een kleine taak, een boodschap die gedaan
moet worden in een naburig dorp, is al genoeg
om blij te zijn. Een sleutel moet worden bij-
gemaakt, degene die je poort opent naar de straat
of sluit als je de kant van de bus opgaat,
om elders weer jezelf terug te vinden bij hetzelfde werk:
het vinden van adem in de ruimte waarin je bent
en dan de woordenschat en zinsbouw die daarbij past.
Te voet gaan is een kinderwerk. Alleen de allerlaagste
bode wordt op die manier nog uitgestuurd. Te veel
tijdverlies voor iemand die hoogstens, als het past,
zijn vrije tijd eraan kan schenken, begeleid door een hond
of door de levensgezellin met wie hij nog eens samen is.
Hij zoekt dan alleen de spektakelwegen, geen nauw
straatje tussen fabrieksvuil en een roestige autobus,
maar beukendreven langs valleien, wandelpaden
door de laatste duinen uitgestippeld door een vriendenclub.
Terwijl jij op zoek gaat naar je sleutel en dan wegen volgt
die niet eens de kleinste zekerheid bieden van een doortocht
naar een andere plaats. Soms moet je op je schreden
terugkeren wil je niet je leven verliezen een tiental
meters in de diepte waar een beek tussen wat stenen
je nog een laatste vreugde schenkt, het spoelen van je bloed.
Want zo gaat het hier: je klimt wat, een eindje hogerop
tussen de huizen en de vijgebomen, langs veilige muren
op het pad van dwars en verticaalliggende stenen
en je bent er al, midden in een stilte van de herfst,
een stilte van kastanjes die langs de bladeren schieten
en langs de takken botsend de aarde bereiken met doffe plof.
De regen heeft het bos dat op de helling ligt
een frisse geur gegeven en de bladeren een nog bonter kleur
die beter bij het rotte past dat nu de tijd wil absorberen.
Langs de boomstam loodrecht omhoog spelen
de eekhorens zo dichtbij dat je terecht ervan schrikt
en spreken daarbij hun hoge taal. Een rustpauze temidden
van je aandacht, terwille van je ogen en oren is je gegund
en je denkt aan de eerste woorden die je hiervoor ten dienste
zouden kunnen staan. Al wil je niet vergeten dat ook jou
een taak is opgelegd die in deze wereld nuttig is,
die verricht moet worden met zakelijk instinkt
en die een prijs heeft en voor anderen telt, ja van belang is.
Want hoe graag zie je de mensen bij hun taken onderweg:
ze delen nieuwe boeken uit waarin de cijfers staan
en de namen van al wie telefoon bezit of ze staan
met z’n vijven rond een tafel: twee oudere mannen,
een jongen ook, een moeder en een snoezig meisje
terwijl er één voordoet hoe de schaafmachine werkt.
Jìj draagt in je zak een sleutel en je dient ervoor te zorgen
dat als jij terugkomt hij past in een gewichtig slot.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie iij ook moge zijn,
Monologen Pianello 1997,
Berchem 2002
Een kleine taak, een boodschap die gedaan
moet worden in een naburig dorp, is al genoeg
om blij te zijn. Een sleutel moet worden bij-
gemaakt, degene die je poort opent naar de straat
of sluit als je de kant van de bus opgaat,
om elders weer jezelf terug te vinden bij hetzelfde werk:
het vinden van adem in de ruimte waarin je bent
en dan de woordenschat en zinsbouw die daarbij past.
Te voet gaan is een kinderwerk. Alleen de allerlaagste
bode wordt op die manier nog uitgestuurd. Te veel
tijdverlies voor iemand die hoogstens, als het past,
zijn vrije tijd eraan kan schenken, begeleid door een hond
of door de levensgezellin met wie hij nog eens samen is.
Hij zoekt dan alleen de spektakelwegen, geen nauw
straatje tussen fabrieksvuil en een roestige autobus,
maar beukendreven langs valleien, wandelpaden
door de laatste duinen uitgestippeld door een vriendenclub.
Terwijl jij op zoek gaat naar je sleutel en dan wegen volgt
die niet eens de kleinste zekerheid bieden van een doortocht
naar een andere plaats. Soms moet je op je schreden
terugkeren wil je niet je leven verliezen een tiental
meters in de diepte waar een beek tussen wat stenen
je nog een laatste vreugde schenkt, het spoelen van je bloed.
Want zo gaat het hier: je klimt wat, een eindje hogerop
tussen de huizen en de vijgebomen, langs veilige muren
op het pad van dwars en verticaalliggende stenen
en je bent er al, midden in een stilte van de herfst,
een stilte van kastanjes die langs de bladeren schieten
en langs de takken botsend de aarde bereiken met doffe plof.
De regen heeft het bos dat op de helling ligt
een frisse geur gegeven en de bladeren een nog bonter kleur
die beter bij het rotte past dat nu de tijd wil absorberen.
Langs de boomstam loodrecht omhoog spelen
de eekhorens zo dichtbij dat je terecht ervan schrikt
en spreken daarbij hun hoge taal. Een rustpauze temidden
van je aandacht, terwille van je ogen en oren is je gegund
en je denkt aan de eerste woorden die je hiervoor ten dienste
zouden kunnen staan. Al wil je niet vergeten dat ook jou
een taak is opgelegd die in deze wereld nuttig is,
die verricht moet worden met zakelijk instinkt
en die een prijs heeft en voor anderen telt, ja van belang is.
Want hoe graag zie je de mensen bij hun taken onderweg:
ze delen nieuwe boeken uit waarin de cijfers staan
en de namen van al wie telefoon bezit of ze staan
met z’n vijven rond een tafel: twee oudere mannen,
een jongen ook, een moeder en een snoezig meisje
terwijl er één voordoet hoe de schaafmachine werkt.
Jìj draagt in je zak een sleutel en je dient ervoor te zorgen
dat als jij terugkomt hij past in een gewichtig slot.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie iij ook moge zijn,
Monologen Pianello 1997,
Berchem 2002

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home