vrijdag, maart 16, 2007

VOOR DE REIS NAAR HUIS

Iedere dag denk je nu aan het vertrek van hier,
al duurt dat nog meer dan een goede week. Bergen,
zie jullie kind, het onschuldigste dat nog rondliep
en dat toch ook mocht dwalen en pijn kon voelen
op tijd. Jullie hebben het beschermd met jullie
blauwe lucht en met jullie duidelijke zijn. Soms
ook wilden jullie het een tijd aan zichzelf overlaten,
aan het water, bij de morgen- en de avondwind.
Het dorp vergat jullie tijd en hulde zich in nevel
en ‘t gefluister van de regen en geen reiziger
kwam langs. De zonen stonden bij hun ouders
aan het graf en een priester sprak. Je kwam
Chiara tegen onder een donkere paraplu,
die een boodschap combineerde met het verse geluk
van een geslaagd literatuurexamen Frans.
Tot weer de zon haar eeuwige kameraadschap
hergaf en de bergen scherper en jonger leken
dan voorheen.

Ga nog eens het bos langs op weg naar sneeuw
en kom pas terug als de sterren rijzen, eerst
Casseopea, dan haar broer die later komt, ‘t is Orion.
Al zal het afscheid zeker maar voorlopig zijn,
til eraan, schenk aandacht aan een verborgen schat erin.
Denk aan de steen die na de regen op de verlaten weg ligt
en aan de bron in de wei daarboven die het wonder
van een beek naar beneden kan doen vallen:
het water loopt langs de rotsen altijd gelijk
in zelfde configuratie en toch is het water
steeds nieuw, is steeds ander water net als de tijd.
Vraag niet wie jij bent, wie jij ook moge zijn,
maar kijk uit je ogen en wees inderdaad een kind.
Morgen is het voorbij en al neem je ook potloden mee,
een slijper en een gom op alle wegen weg van hier
voortaan, luister nu nog naar het spreken alom
dat straks juist tussen de mensen plots kan vergaan,
zodat je leert te staan, vanzelf en geworteld
tot in je onschuld.

WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello, 1997
Berchem, 2002