VOGELS
Als je maar weinig beleeft, krijgt zelfs de kleinste
gebeurtenis algauw een reuzebelang. Het zien
van vogels heeft je nog nooit zo bekoord.
Je liep langs de helling een bos tegemoet en
opeens stormden de kraaien vooruit, in een vlucht
naar het water, geen groep maar een achtervolging
van de een na de ander altijd rechtdoor, een reeks
te lange mouwen van een pikzwarte trui.
Of twee zwanen langs de steiger, tussen
de meeuwen die op een rots of een paal staan
om niet langer te krijsen. Soms keert zo’n meeuw
zijn rug naar het water en bekijkt er een dorp
frontaal in ‘t gelaat. De kerktoren schijnt daar
antwoord op te geven: ‘t is juist middag. Intussen
heeft één zwaan een duikje genomen en is
volledig naar voren gekanteld om schijnbaar voorgoed
met de lange hals en het hoofd in het water te blijven.
De tweede wacht echter het leven rustig af,
wel wetend met zijn naar binnen gekeerde ogen
en zijn snavel van een oranje orde van adel dat
alles weer goedkomt met zijn broeder, zijn moeder
of zijn vroegere geliefde. Zijn hals buigt altijd
naar achteren en dan fel naar voren. In het donkere
water onder de brug, je ziet ze eerst niet, verblijft
het jonge kroostrijke gezin eend, waarvan de kleintjes
altijd weer een eind mogen dwalen om dan snel weer op tijd
binnen de muren van ouderlijke bescherming te zijn.
Ach, ook jij bent in de natuur en zeker in de ornitologie
maar een kind, eerder een zuigeling nog.
Toch verheug je je telkens, je weet ook niet waarom,
als weer zo’n vlucht vogels als bij onderlinge afspraak
technisch perfect door elkaar cirkelt in de wind,
of als je op een parkeerplaats, een plein
in de stad met de naam van de hoofdstad (al is ‘t er
maar saai), plots stilstaat bij een boom, zo’n prachtige
plataan in een rij, die is uitverkoren voordien
door een oneindig stel mussen dat luid en onbeheerst
daarin praatjes hangt te maken. Het springt door elkaar
als in een gigantische natuurlijke kooi, van takje
naar tak, van boven naar onder. Niets zie je ervan.
De andere platanen trekken zich er weinig van aan;
het schijnt hen nauwelijks te storen want het is al jaren
een verworven recht hier op dit troosteloos plein.
Als je maar weinig beleeft, krijgt de kleinste gebeurtenis
het belang van een geschenk, het maakt je blij,
al zijn het maar vogels.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002
gebeurtenis algauw een reuzebelang. Het zien
van vogels heeft je nog nooit zo bekoord.
Je liep langs de helling een bos tegemoet en
opeens stormden de kraaien vooruit, in een vlucht
naar het water, geen groep maar een achtervolging
van de een na de ander altijd rechtdoor, een reeks
te lange mouwen van een pikzwarte trui.
Of twee zwanen langs de steiger, tussen
de meeuwen die op een rots of een paal staan
om niet langer te krijsen. Soms keert zo’n meeuw
zijn rug naar het water en bekijkt er een dorp
frontaal in ‘t gelaat. De kerktoren schijnt daar
antwoord op te geven: ‘t is juist middag. Intussen
heeft één zwaan een duikje genomen en is
volledig naar voren gekanteld om schijnbaar voorgoed
met de lange hals en het hoofd in het water te blijven.
De tweede wacht echter het leven rustig af,
wel wetend met zijn naar binnen gekeerde ogen
en zijn snavel van een oranje orde van adel dat
alles weer goedkomt met zijn broeder, zijn moeder
of zijn vroegere geliefde. Zijn hals buigt altijd
naar achteren en dan fel naar voren. In het donkere
water onder de brug, je ziet ze eerst niet, verblijft
het jonge kroostrijke gezin eend, waarvan de kleintjes
altijd weer een eind mogen dwalen om dan snel weer op tijd
binnen de muren van ouderlijke bescherming te zijn.
Ach, ook jij bent in de natuur en zeker in de ornitologie
maar een kind, eerder een zuigeling nog.
Toch verheug je je telkens, je weet ook niet waarom,
als weer zo’n vlucht vogels als bij onderlinge afspraak
technisch perfect door elkaar cirkelt in de wind,
of als je op een parkeerplaats, een plein
in de stad met de naam van de hoofdstad (al is ‘t er
maar saai), plots stilstaat bij een boom, zo’n prachtige
plataan in een rij, die is uitverkoren voordien
door een oneindig stel mussen dat luid en onbeheerst
daarin praatjes hangt te maken. Het springt door elkaar
als in een gigantische natuurlijke kooi, van takje
naar tak, van boven naar onder. Niets zie je ervan.
De andere platanen trekken zich er weinig van aan;
het schijnt hen nauwelijks te storen want het is al jaren
een verworven recht hier op dit troosteloos plein.
Als je maar weinig beleeft, krijgt de kleinste gebeurtenis
het belang van een geschenk, het maakt je blij,
al zijn het maar vogels.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home