zaterdag, augustus 21, 2010

RISCA

Dit land dat nachtmerries verdroeg,
leeft bij de grond en bij het gras
dat erop groeit. Door handenwerk
wordt het er hooi en voedsel
voor de dieren die nog vrij de wegen
krijgen of helpen bij het brengen
naar de verre schuren. Een gast
vindt hier zijn oude mijten terug,
de mensen bij hun nuttig tuig,
de vork, de scherp geslepen zeisen.
Ze staan ermee in clans op ’t veld
of lopen op de weg van 't dorp ermee,
alleen de hitte in naar elders.
Nooit zo zien zwoegen,
maar onder hoeden gaan de mannen
zitten voor de deur en iedere hoek
van berg of bos kan wel een vrouwtje
baren, lachend in haar doek.
Het schenkt een kind de bessen
die het zocht en keert dan in haar graf
terug dat achter hekken wacht
in de voorouderlijke tuinen. ’s Nachts.
O herdersjongen, roep toch nooit te zwak
en, ooievaar, prijs je nest maar op de palen.
Vooruit, mijn vadertje, zing jij van Christos voort,
verdrinkend in je sterke sap van pruimen.


WILBERT LAMBRECHTS,
TWEEVOETIG. Gedichten vanaf 2010