zondag, maart 25, 2007

INTERTAAL

Blijf achter op het strand
en oefen je zelfstandige naamwoorden,
werp ze als keien botsend
op het golvende water.
Zeg occhio of focolare
en wacht tot je hoort
colomba, fiume of arancia.
Een laatste voorbijganger verbetert je zinsbouw
in looppas. Je vangt op wat hij
een kameraad te bieden heeft,
je leeft van zijn afval van gezang
en melodie. Je hoort scherper dan
het geluid der scherven: chiaro,
giorno, giardino, cielo,
terwijl het toch donker wordt
aan deze zijde van de heuvels
en verdronken woorden je nog naroepen:
miraggio, aria, morte, forse, perché .


WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002.

vrijdag, maart 16, 2007

TAAK

TAAK

Een kleine taak, een boodschap die gedaan
moet worden in een naburig dorp, is al genoeg
om blij te zijn. Een sleutel moet worden bij-
gemaakt, degene die je poort opent naar de straat
of sluit als je de kant van de bus opgaat,
om elders weer jezelf terug te vinden bij hetzelfde werk:
het vinden van adem in de ruimte waarin je bent
en dan de woordenschat en zinsbouw die daarbij past.
Te voet gaan is een kinderwerk. Alleen de allerlaagste
bode wordt op die manier nog uitgestuurd. Te veel
tijdverlies voor iemand die hoogstens, als het past,
zijn vrije tijd eraan kan schenken, begeleid door een hond
of door de levensgezellin met wie hij nog eens samen is.
Hij zoekt dan alleen de spektakelwegen, geen nauw
straatje tussen fabrieksvuil en een roestige autobus,
maar beukendreven langs valleien, wandelpaden
door de laatste duinen uitgestippeld door een vriendenclub.
Terwijl jij op zoek gaat naar je sleutel en dan wegen volgt
die niet eens de kleinste zekerheid bieden van een doortocht
naar een andere plaats. Soms moet je op je schreden
terugkeren wil je niet je leven verliezen een tiental
meters in de diepte waar een beek tussen wat stenen
je nog een laatste vreugde schenkt, het spoelen van je bloed.
Want zo gaat het hier: je klimt wat, een eindje hogerop
tussen de huizen en de vijgebomen, langs veilige muren
op het pad van dwars en verticaalliggende stenen
en je bent er al, midden in een stilte van de herfst,
een stilte van kastanjes die langs de bladeren schieten
en langs de takken botsend de aarde bereiken met doffe plof.
De regen heeft het bos dat op de helling ligt
een frisse geur gegeven en de bladeren een nog bonter kleur
die beter bij het rotte past dat nu de tijd wil absorberen.
Langs de boomstam loodrecht omhoog spelen
de eekhorens zo dichtbij dat je terecht ervan schrikt
en spreken daarbij hun hoge taal. Een rustpauze temidden
van je aandacht, terwille van je ogen en oren is je gegund
en je denkt aan de eerste woorden die je hiervoor ten dienste
zouden kunnen staan. Al wil je niet vergeten dat ook jou
een taak is opgelegd die in deze wereld nuttig is,
die verricht moet worden met zakelijk instinkt
en die een prijs heeft en voor anderen telt, ja van belang is.
Want hoe graag zie je de mensen bij hun taken onderweg:
ze delen nieuwe boeken uit waarin de cijfers staan
en de namen van al wie telefoon bezit of ze staan
met z’n vijven rond een tafel: twee oudere mannen,
een jongen ook, een moeder en een snoezig meisje
terwijl er één voordoet hoe de schaafmachine werkt.
Jìj draagt in je zak een sleutel en je dient ervoor te zorgen
dat als jij terugkomt hij past in een gewichtig slot.


WILBERT LAMBRECHTS,
Wie iij ook moge zijn,
Monologen Pianello 1997,
Berchem 2002

VOGELS

Als je maar weinig beleeft, krijgt zelfs de kleinste
gebeurtenis algauw een reuzebelang. Het zien
van vogels heeft je nog nooit zo bekoord.
Je liep langs de helling een bos tegemoet en
opeens stormden de kraaien vooruit, in een vlucht
naar het water, geen groep maar een achtervolging
van de een na de ander altijd rechtdoor, een reeks
te lange mouwen van een pikzwarte trui.
Of twee zwanen langs de steiger, tussen
de meeuwen die op een rots of een paal staan
om niet langer te krijsen. Soms keert zo’n meeuw
zijn rug naar het water en bekijkt er een dorp
frontaal in ‘t gelaat. De kerktoren schijnt daar
antwoord op te geven: ‘t is juist middag. Intussen
heeft één zwaan een duikje genomen en is
volledig naar voren gekanteld om schijnbaar voorgoed
met de lange hals en het hoofd in het water te blijven.
De tweede wacht echter het leven rustig af,
wel wetend met zijn naar binnen gekeerde ogen
en zijn snavel van een oranje orde van adel dat
alles weer goedkomt met zijn broeder, zijn moeder
of zijn vroegere geliefde. Zijn hals buigt altijd
naar achteren en dan fel naar voren. In het donkere
water onder de brug, je ziet ze eerst niet, verblijft
het jonge kroostrijke gezin eend, waarvan de kleintjes
altijd weer een eind mogen dwalen om dan snel weer op tijd
binnen de muren van ouderlijke bescherming te zijn.
Ach, ook jij bent in de natuur en zeker in de ornitologie
maar een kind, eerder een zuigeling nog.
Toch verheug je je telkens, je weet ook niet waarom,
als weer zo’n vlucht vogels als bij onderlinge afspraak
technisch perfect door elkaar cirkelt in de wind,
of als je op een parkeerplaats, een plein
in de stad met de naam van de hoofdstad (al is ‘t er
maar saai), plots stilstaat bij een boom, zo’n prachtige
plataan in een rij, die is uitverkoren voordien
door een oneindig stel mussen dat luid en onbeheerst
daarin praatjes hangt te maken. Het springt door elkaar
als in een gigantische natuurlijke kooi, van takje
naar tak, van boven naar onder. Niets zie je ervan.
De andere platanen trekken zich er weinig van aan;
het schijnt hen nauwelijks te storen want het is al jaren
een verworven recht hier op dit troosteloos plein.
Als je maar weinig beleeft, krijgt de kleinste gebeurtenis
het belang van een geschenk, het maakt je blij,
al zijn het maar vogels.



WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002

SNEEUW

Sinds gisteren zijn de bergen met hun eerste sneeuw
bedekt. Je bent ernaar gaan kijken aan het meer.
Een donkere berg is deels spierwit geworden.
Aan de hellingen liggen overgangen gestapeld op elkaar :
een rossig bruin met oude stippen groen erin.
De lucht bestaat uit wolken waartussen ergens
zon moet zijn en, meer nog, licht. Een kraaien-
school neemt de volle, hoge ruimte in,
zonder goed de richting aan te houden.
Ze zijn ook zeker met een honderdtal. Telkens
gaat de speurtocht heen en weer.
Opnieuw komt alles in dit landschap
tot zijn recht. Dankzij die eerste sneeuw.
En niets is zo somber dat het te zwaar wordt
om te dragen.

WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002

GEHEIM GENOOTSCHAP

Sommige mensen lijken hier deel uit te maken
van een soort geheim genootschap, waar jij stukje bij beetje
ook deel van wordt, alsof ze jou daarvoor ooit
uitverkoren hebben.

Daarnet nog: je wandelt een weg af en je komt bij
een oude boerderij. Oppassen geblazen dus voor de hond.
Uit de stal komt echter zo’n rond gezicht dat vormloos is
van de warme glimlach die erin straalt. Zijn handen
houdt hij bij een riek en achter zijn rug in het donker
gluurt een forse koe. Jij zegt hem iets over het einde
van de weg en hij vraag jou iets in de richting van je
eigenlijke wens. Waar naartoe? Een tochtje maken maar?
Ja, ja, dat zal wel, ga jij maar eens alleen die berg op.
Aan de gevel van de boerderij bemerk je een schildering
van een heilig tafereel en bovendien een oude snorrekop
die wantrouwig uit het venster kijkt. Bijna is het of die ander
jouw naam zegt en je voortaan broeder of zoon noemt,
zoon van een heilige riek.

En gisteren ook al: op bezoek bij een kruidenier
tegen het sluitingsuur zo ongeveer. Het dorp een door
God verlaten oord, vandaar misschien die menselijkheid.
Een man van zesenzeventig staat daar al ten volle bereid je
met zijn vakkennis de kwaliteit der waren te demonstreren.
Jij vraagt Parmaham en vlees dat de naam Bologna draagt
en onmiddellijk gaat hij met z’n oude apparaten aan het werk.
Hij draagt een witte schort die wijst op een zuivere geest
en op aandacht voor zijn kleren. Onderwijl praat hij tegen je
alsof een oud verhaal moet worden aangevuld met een nieuw,
belangrijk tafereel. De oude tijden, die jullie samen
deelden, geven je nu recht op ‘t vervolg der feiten waarmee jij
als jonge man nu verder iets moet doen. Het lijkt wel oorlog
en je bent door hem uitgekozen om met een uitmuntende ploeg
verzet te plegen tegen een vals en al te hard regiem. ‘t Is maar
dat je ‘t weet. Hij vraag je zelfs, zonder de minste grap,
of jij na zijn dood - maar daar is hij misschien al terwijl hij spreekt-
de zaak zou willen overnemen.



Een derde voorbeeld komt alweer uit zo’n verhaal van
wandelen tot aan het einde van de dag, in ‘t halfduister al.
Na een klimpartij tussen velden, ongeveer op de hoogte
waar lange draden electriciteit doorseinen en daarbij
een heel dal weten te passeren met een duizelingwekkende
sprong, bereik je onverwachts iets dat op een herberg
lijkt. Oeroud moet ze al zijn. In een gelagkamer nog
uit de tijd dat hier Spanjaarden marcheerden zitten daar
een dikke vrouw met nuchtere blik en een kleine man
die drukte wil verkopen zo vlug als ‘t kan, net als zijn hond
die hem de baas geworden is en dus bevelen mag. De vrouw
kan priemen met haar blik en zal je wel bedienen met wat
wijn en polenta maar vooraf eet je eerst haar eigen salami.
Tenminste als jij onthult wie je bent en van je eigen leven
rekenschap wil geven bij het inmiddels aangestoken vuur.
Soms lijkt het of zij haar man dicteert wat haar stille besluit
over jou is. “Een dichter houdt ervan om kluizenaar te spelen”,
zegt ze. “Waarom trouw je niet opnieuw? ” , voegt ze er zonder
pauze in jouw richting nog aan toe. Zij zucht en wentelt
haar gewicht en opnieuw krijg jij vertrouwen en een oud
huis gaat voor je open en je wordt behandeld als een die weerkeert,
als was jij hun verloren zoon.

WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002

VOOR DE REIS NAAR HUIS

Iedere dag denk je nu aan het vertrek van hier,
al duurt dat nog meer dan een goede week. Bergen,
zie jullie kind, het onschuldigste dat nog rondliep
en dat toch ook mocht dwalen en pijn kon voelen
op tijd. Jullie hebben het beschermd met jullie
blauwe lucht en met jullie duidelijke zijn. Soms
ook wilden jullie het een tijd aan zichzelf overlaten,
aan het water, bij de morgen- en de avondwind.
Het dorp vergat jullie tijd en hulde zich in nevel
en ‘t gefluister van de regen en geen reiziger
kwam langs. De zonen stonden bij hun ouders
aan het graf en een priester sprak. Je kwam
Chiara tegen onder een donkere paraplu,
die een boodschap combineerde met het verse geluk
van een geslaagd literatuurexamen Frans.
Tot weer de zon haar eeuwige kameraadschap
hergaf en de bergen scherper en jonger leken
dan voorheen.

Ga nog eens het bos langs op weg naar sneeuw
en kom pas terug als de sterren rijzen, eerst
Casseopea, dan haar broer die later komt, ‘t is Orion.
Al zal het afscheid zeker maar voorlopig zijn,
til eraan, schenk aandacht aan een verborgen schat erin.
Denk aan de steen die na de regen op de verlaten weg ligt
en aan de bron in de wei daarboven die het wonder
van een beek naar beneden kan doen vallen:
het water loopt langs de rotsen altijd gelijk
in zelfde configuratie en toch is het water
steeds nieuw, is steeds ander water net als de tijd.
Vraag niet wie jij bent, wie jij ook moge zijn,
maar kijk uit je ogen en wees inderdaad een kind.
Morgen is het voorbij en al neem je ook potloden mee,
een slijper en een gom op alle wegen weg van hier
voortaan, luister nu nog naar het spreken alom
dat straks juist tussen de mensen plots kan vergaan,
zodat je leert te staan, vanzelf en geworteld
tot in je onschuld.

WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello, 1997
Berchem, 2002

VROEGTE

Wakker zijn als het licht wordt
en dan al uitgeslapen zijn, is ‘t niet het toppunt
voor een levenskunstenaar? Je houdt
ook wel van stilte in de nacht
zeker bij een smeulend vuur,
en het donker worden is eveneens
een uur waarop het spreken anders wordt.
Het kan echter ook onrustig maken
en zelfs lichtjes angst aanjagen.
De mensen komen samen en eten
dan iets warms als ze voltallig zijn.
Hier zie je niemand die nog ronddwaalt
door de straten van het oud gehucht.
Zelfs de brommers en de jonge dames
verdwijnen van het plein.
Hoe anders
is de morgen een zaak van een enkeling.
Hij wil het onderste uit de kan. De geluiden
vallen best nog mee. Er wordt door
de meesten nog geslapen en gezwegen.
De boer is bij zijn dieren voor de melk
en een eerste bus rijdt al naar de stad.
Hij is maar halfbevolkt hoewel met
steeds dezelfde zonderlinge
eenzatenverzameling van de vroegte.
Sommigen komen nu terug van de nacht
en moeten nog gaan slapen. Anderen hebben
iets speciaals voor met de nieuwe dag.
Een heel stuk
verder gaan dan je gewoonlijk
doet, is een goed motief. Je wil over
een grens geraken voor het schilderij
van de overkant. Je ziet Kandinsky
in de stad of je leest een heel bijzonder boek
dat je wekker overbodig maakt ineens.
Voor jou is de dag een geschenk van
de engel van de tijd als je zo vroeg al
tot een eerste bladzijde bent gekomen
die met de nacht vanzelf is meegevloeid:
een dictaat en een improvisatie tegelijk,
iets definitiefs al en toch ook
spel van’t eerste licht.

WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn.
Monologen uit Pianello 1997.p. 46
Berchem, 2002

maandag, maart 12, 2007

HET LEVEN KANTELT

Dat ik de teerling zo van de ene kant
De andere kant op wierp dat uiterste

Getallen elkaar raakten op de snee.
Eerst tot in het dal van levenden en doden,

Dan tot in de diepte van de moederschoot
Waar geslachten ruisen in elkaar tot bloeisel

Onbekend. Tweemaal in ’t hospitaal
Met het flikkerend licht dat rakelings

Langs het hart de weg der zielen snijdt.
Daar komt de aanzet van een onverwacht gedicht.

Zeer dicht bij vrijheids venstergaten,
Zeer hoog in ’t licht van ikgeboorten.

Daar wandelt al mijn tegenbeeld
Kanalen door de wolken. Neemt me

Te pakken straks en zet me schrap
Voor jaren ophoping van vonken.

WILBERT LAMBRECHTS, uit:
DISTICHON of het spoor van dag en nacht.