Sommige mensen lijken hier deel uit te maken
van een soort geheim genootschap, waar jij stukje bij beetje
ook deel van wordt, alsof ze jou daarvoor ooit
uitverkoren hebben.
Daarnet nog: je wandelt een weg af en je komt bij
een oude boerderij. Oppassen geblazen dus voor de hond.
Uit de stal komt echter zo’n rond gezicht dat vormloos is
van de warme glimlach die erin straalt. Zijn handen
houdt hij bij een riek en achter zijn rug in het donker
gluurt een forse koe. Jij zegt hem iets over het einde
van de weg en hij vraag jou iets in de richting van je
eigenlijke wens. Waar naartoe? Een tochtje maken maar?
Ja, ja, dat zal wel, ga jij maar eens alleen die berg op.
Aan de gevel van de boerderij bemerk je een schildering
van een heilig tafereel en bovendien een oude snorrekop
die wantrouwig uit het venster kijkt. Bijna is het of die ander
jouw naam zegt en je voortaan broeder of zoon noemt,
zoon van een heilige riek.
En gisteren ook al: op bezoek bij een kruidenier
tegen het sluitingsuur zo ongeveer. Het dorp een door
God verlaten oord, vandaar misschien die menselijkheid.
Een man van zesenzeventig staat daar al ten volle bereid je
met zijn vakkennis de kwaliteit der waren te demonstreren.
Jij vraagt Parmaham en vlees dat de naam Bologna draagt
en onmiddellijk gaat hij met z’n oude apparaten aan het werk.
Hij draagt een witte schort die wijst op een zuivere geest
en op aandacht voor zijn kleren. Onderwijl praat hij tegen je
alsof een oud verhaal moet worden aangevuld met een nieuw,
belangrijk tafereel. De oude tijden, die jullie samen
deelden, geven je nu recht op ‘t vervolg der feiten waarmee jij
als jonge man nu verder iets moet doen. Het lijkt wel oorlog
en je bent door hem uitgekozen om met een uitmuntende ploeg
verzet te plegen tegen een vals en al te hard regiem. ‘t Is maar
dat je ‘t weet. Hij vraag je zelfs, zonder de minste grap,
of jij na zijn dood - maar daar is hij misschien al terwijl hij spreekt-
de zaak zou willen overnemen.
Een derde voorbeeld komt alweer uit zo’n verhaal van
wandelen tot aan het einde van de dag, in ‘t halfduister al.
Na een klimpartij tussen velden, ongeveer op de hoogte
waar lange draden electriciteit doorseinen en daarbij
een heel dal weten te passeren met een duizelingwekkende
sprong, bereik je onverwachts iets dat op een herberg
lijkt. Oeroud moet ze al zijn. In een gelagkamer nog
uit de tijd dat hier Spanjaarden marcheerden zitten daar
een dikke vrouw met nuchtere blik en een kleine man
die drukte wil verkopen zo vlug als ‘t kan, net als zijn hond
die hem de baas geworden is en dus bevelen mag. De vrouw
kan priemen met haar blik en zal je wel bedienen met wat
wijn en polenta maar vooraf eet je eerst haar eigen salami.
Tenminste als jij onthult wie je bent en van je eigen leven
rekenschap wil geven bij het inmiddels aangestoken vuur.
Soms lijkt het of zij haar man dicteert wat haar stille besluit
over jou is. “Een dichter houdt ervan om kluizenaar te spelen”,
zegt ze. “Waarom trouw je niet opnieuw? ” , voegt ze er zonder
pauze in jouw richting nog aan toe. Zij zucht en wentelt
haar gewicht en opnieuw krijg jij vertrouwen en een oud
huis gaat voor je open en je wordt behandeld als een die weerkeert,
als was jij hun verloren zoon.
WILBERT LAMBRECHTS,
Wie jij ook moge zijn,
Monologen uit Pianello 1997,
Berchem 2002