zondag, augustus 27, 2006

ENTSAGUNG

Ik wil mij dit gedicht ontzeggen
dat deze morgen mij bezoekt.
Wie wil er in mijn dag beleggen
als straks weer alles ermee vloekt
wat verder nog moet afgehandeld?
Elk woord beseft waarop het slaat.
Een wereld heeft het afgewandeld
om zich als daad te openbaren
die uit zichzelf zich wil voltrekken.
Kan dan dit blad het antwoord zijn?
Weet ik ermee iets op te wekken
dat opweegt tegen brood of wijn?
Ik geef mezelf ermee verloren
en blijft een dwaas net als tevoren.

Wilbert Lambrechts, De Vogels van Orpheus, p. 12
Antwerpen, 2002, uitgeverij Het Zand.

zondag, augustus 20, 2006

ELOGE DE LA MARCHE

Hoe snel zal weer de weg niet zingen
terwijl wij langs de weiden gaan.
Steeds hoger op z'n steile baan
begint de zon 't onzichtbaar klimmen.
Bij iedere pas gaat in de verte
de horizon ons zacht omarmen
en toont het zaligste erbarmen
met vogels, bomen op de erven,
met herten in het bos en velden
die stralend vol van koren staan.
Wie niets meer heeft, kan gaan
tot waar de godenwoorden gelden:
wij lopen heuvels op en af
van bij de wieg tot aan het graf.

Wilbert Lambrechts,
eerder gepubliceerd in De Nieuwe Queeste, herfst 2005

zaterdag, augustus 19, 2006

PSALM

Ik denk dat onze liefde aardser is.
Ze loopt langs bergen wegen

op en af (daar waar wij wandelden
bleef ze de paden trouw en zal er

blijven zwerven zelfs al verga je er
van kou en honger, van verdriet).

Ik denk dat onze liefde soms vervult
wat onze lijven roepen in de diepste nacht.

Wij weten het zo zacht, wij drinken
dagelijks wijnen van die pracht.

Wie drijft er langzaam neerwaarts
door de letters van de boeken die ik je las?

Wie spreekt er fluisterend onder alle stilte
die ik je voorlas in de gaten van de dag?

Zet alle poorten open want onze
liefde -eerder van de goden dan van een God-

langs de bergen, langs de wegen, langs
de gaten van de dag, met de wijnen die wij drinken,

plant haar vruchten met mijn zaden
in de waters, in de dalen van jouw lach.


Wilbert Lambrechts, DISTICHON of het spoor van dag en nacht.
Nog te verschijnen. Antwerpen, 2007?

donderdag, augustus 17, 2006

PROBATIO PENNEA

De herfst kijkt nu met regendruppels
naar binnen waar in de kamers gelaten

het dagelijks leven wordt verricht en
vergeet de nutteloze straten, de dagen

van weleer die vol van jubel waren
soms te hevig om te dragen, jubel om je

jonkheid opnieuw en schoner in de gaten
dan rozen bloeien, dan herinnering ducht

als daar geen dichter was die aantekent,
die neerzet en door de regendruppels gloeit.

HET DAGELIJKSE DISTICHON

Het dagelijkse distichon dat voortleeft
en toevalt als het slot van een wonde

en dan een korst van gesloten lippen toont.
Het kan een uitweg laten zien.

Het kan een weg zien zonder weg te zien.


Wilbert Lambrechts, DISTICHON of de sporen van dag en nacht.
Nog te verschijnen. (Antwerpen, 20006?)

dinsdag, augustus 15, 2006

BLASKET

Boven op de berg van het laatste eiland
ontstaat de cirkel -bijna perfect-

die ons opneemt in de hemel
zonder dat wij ons neergezeten zijn

verlaten of ons gesprek beëindigen
dat al aan de voet begon (voeten

alom: van bergen, van dwergen en feeën
en van onszelf die zwerven door deze

zomertijd). Het meer wordt land,
het land een oceaan. Even zijn jij en ik

ook omgekeerd, wat wij eigenlijk
zouden moeten vieren in het gras.

Maar kunnen wij dan wel weer weg?
Zo blijft leven verder nog open.

Het wacht ons op met feesten 's nachts
even onvermoed soms als regen op water.


Wilbert Lambrechts, DISTICHON of de sporen van dag en nacht.
Nog te verschijnen (2006?)

De Blaskets zijn een kleine eilandengroep in de Atlantische Oceaan in het uiterste westen van Ierland (Dingle).
Zie o.a. The Islandman, Tomas O'Crohan, Oxford 2000.

maandag, augustus 14, 2006

EIND AUGUSTUS

Straks zijn de wegen weer gesloten
Voor het verkeer van man en muis.
Wie van de vrijheid heeft genoten,
Van leven zwervend buitenshuis,
Van stiltelicht in beukendreven,
Van warmte in de regenlucht
En onweersnacht en liefde geven
Voordat de zon de dag bevrucht,
Zal nu een dicht slibben ervaren
Van zintuigkracht en ademtijd.
De harten stikken van bedaren,
De zielen haten zelfs wie lijdt.
En in de woorden kruipt vergaren
En oogst komt pas na lange jaren.

Wilbert Lambrechts,
ongepubliceerd

zaterdag, augustus 12, 2006

DAGLOON

De dagen die daarboven bloeiden
waren steeds het dubbele waard.
Als ik mij ’ s morgens schoeide
om ’ s avonds laat mij bij de haard
Teruggekeerd te kunnen wentelen
in hoe mijn wandeling was geweest,
Voorvoelde ik al de toppen tintelen.
Hun stilte lokte mij nog ’ t meest
in ‘ t gras met potlood en papier
Nadat ik lang de weg verloor.
De zon scheen tot een uur of vier
langs deze kant. Ik zocht haar spoor.
Beneden lag het eindeloze meer
te wachten op mijn wederkeer.


Wilbert Lambrechts, DE VOGELS VAN ORPHEUS, p.119
uitgeverij Het Zand, Antwerpen, 2002

Het meer waarvan sprake is in DAGLOON en in SAN BENEDETTO IN VAL PERLANO en in MONTE BREGAGNO is, zoals in alle andere gedichten van Wilbert Lambrechts, het Italiaanse Comomeer.

SAN BENEDETTO IN VAL PERLANA

Anche qui: dove il pagano fu christiano, e con lui
la sua terra, il suo campo coltivato. P.P.Pasolini

Neen, niet om terug te belanden in een middeleeuwse wereld,
ook is het geen vlucht uit het leven! Wie zijn eenzaamheid
zoekt, is geheiligd, met of zonder pij. Ook een hemel erna
of een hel daarvoor in de plaats, is om het even. Er ìs geen straf, er ìs
geen beloning. Alleen de sprekende stilte misschien die je
bij voortduring ondervraagt: des morgens nog voor je de kans
krijgt je glas melk te verwarmen en je je terecht afvraagt
of je je nog wel moet scheren terwijl je willekeurig je blik richt
op een verloren geit in de wei of des avonds als je daarboven
waar je vriend de kluizenaar woont, Ginepro , een kaars moet
aansteken. Welk licht is hier immers het echtst van de sterren
in die eenzame nacht?
Er is niemand die uitmaken kan in jouw plaats wat je uiteindelijk in
dit leven, met dit hart en dit lichaam, te zeggen hebt tot jezelf en de
wereld en om jezelf niet te verliezen, is die weg naar omhoog, naar je
vriend, twee uren lang - het pakt op je adem- niet overbodig. Een
wonder als je er op een gewone dag in de week iemand ontmoet
en indien toch, dan is het eveneens zo’n pelgrim als jij
die je met warme blik een groet van daarboven en verder
geen woord als voedsel toereikt. Er staat daar op de heuvel een kerk,
maar het is geen gewone, tot voor kort nog volkomen verlaten,
een ruïne, de lege ruimte van mystieke perfectie die versieringen
schuwt, zelfs beelden maken haar uiterst
verlegen, wantrouwig.
Deze streek rees immers op uit het water en kroop langzaam
met huizen de bergen hier op, dat vroege geweld van de aarde in
gesprek met goden en tijden. Ze kon door de mens pas worden
bewoond nadat hij eerst erover een groot kruis had gemaakt.
Als was deze natuur een brood. En het meer in de diepte de drank
van het zuiverste leven. Aan dat kruis stond aan ieder uiteinde
de leegte, de stilte, het niets in ‘t oneindige en in het centrum
het woord dat verenigt en redt: bekijk maar je eigen leven
en je vindt het sluitend bewijs.
Dus niet alleen hier in het westen, waar tempeliers en voordien ook
wat benedictijnen deze redding hebben gezocht, dit geschenk aan de
dorpen die aan alle randen ontstonden, maar ook verderop in het
noorden waar aan het eindeloze water bij een reeks linden een
eenzame, hoge ruimte is gebouwd, gewijd aan het maagdelijkste zijn
dat een mens in zich draagt, Sancta Maria del Tiglio, maagd van de
linde. En in het zuiden in Como, de kerk van de heilige Abbondio;
in Civàte, meer oostwaarts, twee kerkjes vlak naast elkaar, ook ver
weg op een berg, eerst te vinden nadat je alles wat je bezwaarde en
oppervlakkig omgaf, volledig hebt kunnen afleggen.
De stijl heet romaans, maar het is
oneindig veel meer dan dat woord. Als je erheen gaat, weet dan dat er
daar niemand meer woont, niemand, verwacht er geen hulp,
tenzij je je omkeert.

Wilbert Lambrechts,
WIE JIJ OOK MOGE ZIJN, p.27
Antwerpen, 2000

MONTE BREGAGNO

Al heel de tijd dat ik hier kom, heb ik
gedroomd reeds van de hoogte die zijn kroon
spant boven ’ t dorp: de witte berg
die boven ’ t bos uitstijgt, de steil gewelfde
vlakte waar geen mens meer woont.
Je komt er moeizaam voorwaarts nog,
nadat je klom en klom. Het laatste huisje
dat alleen nog ergens staat, is telkens een
bewijs van ernst en samenhorigheid
aan gindse grens van leven en van
eenzaamheid. Dan volgt er nog een spoor
van aarde door het groene, gele gras,
het urenlang begane smalle pad.
Het lago in de diepte, rondom bergen zat.


Wilbert Lambrechts, De Spreuk van Pianello, p. 25
Antwerpen, 2003

vrijdag, augustus 11, 2006

HEILIGE NACHT

HEILIGE NACHT
Jozefs mijmering

Wij zullen ’ t einde van de stad
Bereiken en dan verder gaan.
De hele nacht ligt er een tekst
Te wachten tussen nu en straks.
Zal ik je zeggen wat gaat komen
Als sterren breeduit ademen?
Verzwijg ik nog het licht dat ginds
Wil glimmen met meervoudig zingen?
Het is zo stil, zo buitentijds
In allen velden van dit land.
Het zwijgen van de leegte staakt ook
Onverwachts. Wij zijn ter plaatse.
Kijk, overal gaan wegen open
En ginds al komen herders lopen.


Wilbert Lambrechts
vroeger verschenen in De Nieuwe Queeste,
december 2005

donderdag, augustus 10, 2006

MIDDENIN

Merkwaardig, eenzaam lot: te sterven
te midden van je levensduur.
Valt er iets hogers te verwerven
Dan ’ t raadsel van dat zeldzaam uur?
Geen zin in woorden te bespeuren,
alleen de liefde weent en weent
aan alle grenzen van het treuren
waar ’ t leven langzaam weer versteent.
Niets kun je plots nog zeggen
tenzij in hulpeloze ogentaal;
wat valt er ook nog uit te leggen,
je laatste woorden zijn banaal.
Gegroet nog kinderen een voor een
alsof wat zon door wolken scheen.


Wilbert Lambrechts,
DE VOGELS VAN ORPHEUS, p. 90
uitgeverij Het Zand, Antwerpen, 2002

eveneens verschenen in De Mare, Gent maart 2006, p. 21
als in memoriam Lucie Sprangers (1959-2006)

woensdag, augustus 09, 2006

ZAND

ZAND

Ook jij moet een nomade zijn,
Vertegenwoordiger van ’ t zand dat
Tussen je vingers glijdt. Niet vrouw,
Niet man, niet jong, niet oud, maar ergens
Tussenin, een naar een bron bewegend zijn
Dat zich ontvouwt en eigenheid verkrijgt
Waar alle toestanden slechts overgangen zijn,
De doolweg tussen pijn en vreugde in.
Herkend zijn én het medeweten dat iets is,
Een beeld vol werkelijkheid. De witheid
In ’ t moment vangt tussen jou en mij
Een reis naar eeuwigheid weer aan
Om hier al in oneindigheid te staan
Want jij moet ook nomade zijn.

Wilbert Lambrechts,
DE VOGELS VAN ORPHEUS, gedichten.
Antwerpen, 2002. p.11

uitgeverij Het Zand
Graaf van Hoornestraat 51
2000 Antwerpen

dinsdag, augustus 08, 2006

DE FILOSOFIE VAN DE VOORMIDDAG

(1)

Als de priester zijn mis voltooid heeft, komt hij terug voor zijn sermoen, het kruis in de hand. De stem van van de priester is zwak, hij is bovendien niet van plan om te roepen. Na zijn eerste vier, vijf zinnen, of al vroeger, schuiven de gelovigen die nog gebleven zijn, allemaal naar voren om dichtbij hun priester te staan en om alles wat hij te zeggen heeft, op te nemen - in intieme kring, zou je kunnen zeggen. Want zij, zondaars, moeten ervan leven. (Russische kerk)

Het leven is leren rechtop staan, zingt Willem V. Is het daarom dat de Russische gelovigen staan (en de westerse zitten)? En wij willen wandelen?

Het is verrukkelijk om 's voormiddags te kunnen lezen, maar toch nooit al te lang want na een tijdje komt de 'dadendrang' opzetten: je wil iets schrijven, of tekenen, je wil iets 'rechtzetten'. (Hoeveel werk heb jij met 'rechtzetten'!)

Laat mij nog wat jaren
tussen mijn boeken zijn.
Stilte van voormiddagen
bewaren, alleen in het riet,
schuw als de reiger,
jou benoemend in mijn taal.
Ze gaat langs haar grenzen
zodat ze dreigt te verdwalen
en verdwijnen, vermist
in het niets van jaren,
terwijl de klokken (buiten)
uur na uur bepalen
hun vakgebied
van zijn en tijd.

Ida G. schrijft dat haar familie er altijd tegen was dat ze schreef. Iets gelijkaardigs heb ik ook steeds gevoeld, alsof er paniek uitbrak als je het deed (vooral bij moeder, die later zelf zo graag zou schrijven en schrijven als haar overlevingstactiek gebruikte in de jaren van alleen overblijven), alsof je geheimen op straat ging gooien (ja!), alsof je schrijven per definitie hetzelfde was als indiscretie. Toch valt er niet te schrijven zonder ook veel te verzwijgen en zonder de kunst van het zwijgen.

Niets is zo tegengesteld als Ida Gerhardt en Lucebert en toch leefden zij -hoewel met een ruime generatie verschil- tegelijkertijd. Kun je hen ook gelijktijdig bewonderen? Of slechts beurtelings?

Zonde is beter dan geen zonde, zonde is misschien zelfs beter dan onschuld, want de zondaar kan zich bekeren en zich door zijn zonde verjongen. En Aljoscha dan?

Het lange leven kan ook een straf zijn: dat je zolang met jezelf opscheept zit en dan nog: het alleen overblijven, omgeven door zovele doden die vragen stellen.

Op oudejaarsdag met V. (die zwanger is, maar niemand weet het) op haar verzoek Silsburg bezocht en haar alles laten zien: het kerkhof (dat meer aan chrisanten doet denken dan aan mijn vaders -en haar grootvaders- verdwenen graf), de Boterlaarbaan (met het verdwenen huis, de onteigende grond, de autoweg in de plaats). De plaatsen van mijn kindertijd: alle sporen zijn uitgewist, maar daarom zo sprekend de brokstukken die aan de kant zijn blijven liggen: huizen van grootooms en groottantes staan er nog in het rond links en rechts van de baan (Jef, Jules, Jakke, Fons en Lida) en dat van de buren (de familie Rens). De hoek van de weg, het begin van een pad, een haag, een gracht: veel meer is er niet en moet er ook niet zijn. Aan het eind van de oude weg lijkt bijna een landschap te beginnen. We moeten het van stukken en brokken hebben, met wat rest. "Het Boterlaar is geen zaak van duizenden maar van miljoenen", jaja, vandaar. Vanuit de tuinen kun je de oude toren van het kerkhof nu zien liggen en er lopen schapen in deze verre uithoek van de stad (vroeger nooit). Eigenaardig: mijn vader die in die buurt een inwijkeling was en er een buitenstaander bleef, een onintegreerbare immigrant, is de enige uit de buurt die ooit op dat kerkhof gelegen heeft. Ik hoor nog het onzevader dat we er zeiden tot slot voor we terug naar huis gingen en hem achterlieten voorgoed. Er heeft nooit niets meer dan een houten kruis gestaan. Tot onze vreugde loopt er nu een GR langs de binnenweg naar het Scheersel in Wommelgem: we herkennen de rood-witte streepjes niet zonder een gevoel van ironie. Alsof we tussen toeristische bezienswaardigheden onderweg zijn. Het Schijn over, de Rijksweg, langs het fort van Wommelgem (waar de eenden op het ijs staan), door de velden met hun oude schoorstenen en serres aan de nabije horizon: de weg die ik vroeger graag met de fiets deed en waar de sfeer gebleven is. Alsof je je eigen weg door anderen herondekt.
Alsof ook die onteigend is. We bereiken voor het begin der feestelijkheden en de duisternis nog Zevenbergen en Ranst en zitten gelukkig naast elkaar in de bus met onze eigen schat en de gesprekken van die dag die over het nageslacht gingen.

's Avonds wil je een gedicht lezen, maar bij het aanbreken van de dag wil je een gedicht maken.

In plaats van "op staande voet" "op lopende voeten". (Een boek over het leven begin 21ste eeuw?)

's Morgens de vrije uren, als de geliefde of het kind nog slaapt. Waarom wenste je ooit alleen te zijn? Hoe heerlijk op zich de tijd en het stille bezinnen "op enen berg alleen", terwijl het dal nog slaapt of langzaam ontwaakt. Jij hebt de zon zien opkomen. (Boven op de Monte Bregagno, de eerste keer op de top in 1999, zondagmorgen, beneden mij het geroep van de geitenhoeder en het blaffen van zijn hond, hoe verweg al en dan nog veel, veel dieper weg het luiden van klokken in de dorpen beneden.)

Als eindelijk de morgen aangebroken is en de grote sneeuwvlakte van de voormiddag komt in zicht waarnaar de schansspringer al onderweg is, kun je dan je eigen tijd en vaart onderbreken om bv. een krant te gaan kopen?

De spreuk van de voormiddagfilosoof: "Ich erleuchte mich durch Unermessliches". De Ingeborg Bachmann-versie van het Ungaretti-gedicht: "Mattina.// M'illumino / d'immenso."

Vroeger opstaan dan nodig is -om een boek te lezen waardoor je zonder enige uiterlijke noodzaak gebeten bent of om verder te tekenen aan een potret waaraan je begonnen was- is waarschijnlijk de belangrijkste wilsoefening die er is: het heeft je nooit moeër gemaakt, het heeft je nooit uit je humeur gebracht, het heeft je je beste dagen geschonken en zeker je beste voormiddagen.


(Peter Handke: "Dazu hätte ich früher aufstehen müssen...." Schrijft hij daarover in het essay over de gelukte dag?)

De elite waarbij je zou willen horen - de enige- is die van de vroeg-opstaners, met het zicht op de voormiddag. Niemand is meer gelukkig te prijzen dan degene wiens ochtend en voormiddag van hemzelf en zijn god is. Wie dat heeft, kan weinig meer ontnomen worden, vrees ik .


Wanhoop al vroeg in de ochtend? Ja natuurlijk, dat kan, en waarschijnlijk is er geen grotere wanhoop, de wanhoop omwille van het begin van de dag.

Ik zit te schrijven op de grens van de voormiddag en het begint zachtjes te sneeeuwen.

Als je een brief geschreven hebt, is het normaal en geoorloofd om naar buiten te gaan en hem te posten -mogelijk moet je een postzegel kopen-, liefst te voet.

"De dag schuift voor de Dag/ lijk een lucht vol rozen". (Karel van de Woestijne).

Favoriete heiligen? Franciscus? Serafim Sarowski? Willibrordus? Voetgangers? Heiligen alleen onze voeten ons nog?


(wordt vervolgd)

DISTICHON of het spoor van dag en nacht

NOG ZONDER TITEL


Wanneer het spreken bijna is afgerond
Krijgt iets nog ruimte in mijn mond

Dat niet meer mij behoort maar toch
Een wereld loslaat in zijn zog.

Vanwaar die binnenvaart mag komen,
Die speling die het woord doet stromen,

Die kus die iedere echo nog begeert
Nu niets in ernst nog wordt beweerd?

’t Moet dicht bij jou en jouw geheimen
wonen in bovengrondse magazijnen

tussen morgenstond en avondkentering
in jouw aarde-, maan- en zonnewenteling.


WILBERT LAMBRECHTS
DISTICHON of het spoor van dag en nacht
(nog te verschijnen, Antwerpen 2006?)

LANDELIJKE GEBOORTE





LANDELIJKE GEBOORTE

Waarom zovele kerstmissen gevierd
Als niet om ooit ook midden in de zomer

Hetzelfde omgekeerd en ondersteboven
Te staan zingen het wiegelied van hooi

De caravan woonwagen van geluk noemen
Vermomd als zwerfherder te voet komen

In de adem van de geit vrede op aarde
Voor lieveling uit den hoge horen.


WILBERT LAMBRECHTS, Distichon of het spoor van dag en nacht
Antwerpen, 2006 (nog te verschijnen).

°Olga Genet, Rotheux 3 augustus 2006 (18.30 u.)

FUGA

Jij verdwijnt in mij.
Zie de hagedissen
langs de paden, rappe jongens die nog
van niets weten, van niets willen en kunnen
weten. Hoe anders de vlinder die op een
warme steen zich in de zon wil spreiden
en van zijn zwarte, rood met wit gestipte vleugelvlakken
geniet. Wie weet, weet hij, wie weet, maar hij
betekent niets. Zie hem in de wind, hij
ontgaat sprongsgewijs in het luchtige zichzelf
dan, wat zou hij dan nog weten, wat zou
hij dan nog willen zijn.
De schapen echter
stonden gisterenavond alleen te grazen in de wei,
in een groepje wel, maar toch alleen, en één,
misschien een gevoelige kerel, de gevoeligste van hen,
uitte zijn klacht in onafwendbaar, onmiskenbaar
geblaat, avondstondgeblaat. Alsof hij
wist wat hem al sinds de moederschoot was ontgaan.
De anderen deelden zijn verdriet, neerwaarts kijkend
in het gras door hun wollige gedaante.
Anders, geheel anders
het concert der honden. Niet de rondlopende
rakker op het strand, hij zwijgt en loopt een eind,
onwetende hondensport. Maar zij die aan de ketting
een ronde baan moeten graven in het zand,
zonder dat het ooit iets oplevert:
steeds stijgt hun razernij, steeds meer, tot in de scherpte
van hun tanden, in de machteloosheid hunner klauwen
alsof eens een rekening zal worden gepresenteerd.
Ons stijgt het naar de keel al willen wij alleen
de weg vinden verder in het bos, waar wij alleen
een uurtje willen zijn. Nergens in de wereld
zo een intimiteit, zo een stemming als tussen bomen
waardoor de eeuwen een smal pad
kronkelend hebben gegraven, een veelzeggend
zwijgend teken van de doden, de onbereikbaren
die ons liefhebben nochtans.

Jij verdwijnt in mij...
En ik doe daarom iets met de woorden
die nu komen. Jij verdwijnt in mij...
Van waar ben jij gekomen? Waarvan leefde jij
in mij? Een veld zie ik, daarachter nog
een boomgaard en bloemen ginder ver,
misschien bereiken wij de moestuin nog.
Misschien.


Wilbert Lambrechts, WIE JIJ OOK MOGE ZIJN, p.6-7 Berchem, 2000. Cassette Bart Casteleyn.

Bart Casteleyn, ambachtelijk boekbinder, stierf op 29 juli jl., 52 jaar oud.

wie jij ook moge zijn

HET OGENBLIK VAN VERTREK

Het ogenblik dat ik van hier vertrek
is bijna aangebroken, golven van het strand.
Een goede week nog, maar ja, wat is dat, tijd?
En weten jullie dat niet beter, dieper ook
dan ik? Het gindse, gladde water lijkt op stilstand,
eeuwigheid, een spiegelbeeld van hemelkleur
en zonneschijn, een huid over de diepte die
een berg opvangt, een berg weerkaatst.
Is daar misschien de dood, het andere bereik
der werkelijkheid? en hier bij het eenvoudig
praten van het water, regelmatig, speels en
willekeurig, slechts het ogenblik waarin ik ben?
Maar waarom is dat nu zo rijk? Zijn jullie
niet de boden van die laatste zekerheid?


Wilbert Lambrechts,

De Spreuk van Pianello, p.45
Antwerpen 2003
Druk : Jos Brabants
Binding : Bart Casteleyn