voor Vera
Zul je je de sterren aantrekken die je in deze nacht
zo lijkt het wel, uit je slaap hebben gewekt?
Zo luid staan ze daar te zingen, neen, te schreeuwen
alsof ze zich gehergroepeerd hebben en
in nieuwe formaties aan de hemel zijn opgedaagd.
Een tijdje trokken ze zich terug om zich te bezinnen
op hun beurt, wij bezinnen ons al zoveel,
om dan weer met vernieuwde helderheid te herrijzen
in de vuurlinie van de nacht. Er zou nu overal
terwijl de mensen slapen een alarm,
een onrust minstens op zijn plaats zijn,
een bijzondere waakzaamheid. Is het daarom
dat je het water aan de randen aankomen
hoort, rollend in golven hoort ruisen tot hier,
veel luider dan normaal? Je voelt de neiging
om te gaan kijken, om op te staan en in je nachtkledij
een wandeling tot daar te ondernemen, in de greep
van wat het water zeggen wil terwijl de machtige
sterren er boven stralen in toch herkenbare
oktobervormen, de oogst van een heel sterrenjaar.
Dat water kan in het duister juist zo rimpelloos zijn
en je bijzonder aantrekken zelfs om erin te gaan
en te zwemmen, naakt. Niemand ziet hoe jouw slag
des nachts plots rustiger wordt,
alsof je koninklijk zwemt : steeds trager, steeds meer
een eenheid vorm je met de zwarte massa
die niet zwaar aanvoelt, maar licht. Ja, het water
is atletisch, niet jij. Jij bent dan een zwaan in de nacht,
een witte schaar van handenarmen en benenvoeten
juist onder het inktachtige wateroppervlak.
Zou je dit nu ook durven, geheel alleen, dit heldhaftige
moedige te water gaan in dit voorochtendlijk
uur om krachtig te slaan in de golven?
Een warme wind streelt je bovendrijvende,
kalm ademende hoofd. Steeds nieuwe, goede nachtlucht
wordt aangevoerd. Jouw prevelen in de nacht zal
een groet zijn aan unieke, duizendvoudige sterrenkracht.
Misschien jaagt een eerste tuig al over de oudromeinse
weg naar de provinciehoofstad toe en ook van een wild
geparkeerd autoexemplaar loeit af en toe
de ongeruste sirene.
Wilbert Lambrechts, WIE JIJ OOK MOGE ZIJN, p. 14
Berchem, 2002