zondag, september 24, 2006

VERHUIZING

Zoveel stoelen komen naast elkaar
te staan en willen zich om ons (dansend?)

schikken tot een kring in nieuwe
kamers die een karavaan van ruimte

vormen. Terwijl het oude afscheid
neemt en bezitsloos begint te ademen

zonder ons, zweeft de nieuwe
samenkomst van kamers ontastbaar

de verbeelding in en uit
alsof wij op een reeks van golven

staan voor en achterwaarts,
tijd tuimelt en onze zielen zingen.


Wilbert Lambrechts, DISTICHON of de sporen van dag en nacht.
Nog te verschijnen. Antwerpen, 2006?

zaterdag, september 23, 2006

OGENBLIK

Wie vrij is, is tot aan zijn dood bereid
een ogenblik slechts maar te zijn in tijd.
En meer verlangt hij niet. Ik zat dit
te beseffen op het strand. Een hond
kwam langs. Een wind klom zachtjes
in een boom. Een autobus lag moeizaam
in de smalle bocht hoog bovenop de rots
en toeterde dus luid. Ik keek er niet naar om.
Waar wachtte ik nog op? Op niets.
Zelfs niet op zekerheid. Het liefst
nam ik nog afscheid van mijn ver
geboorteland en bleef hier zitten
om te schrijven bij de rilling van het
wateroppervlak. Of bij de omkeer van een slak.


Wilbert Lambrechts, INCUNABELEN, Berchem 2001

woensdag, september 20, 2006

OKTOBERNACHT AAN HET MEER

voor Vera



Zul je je de sterren aantrekken die je in deze nacht
zo lijkt het wel, uit je slaap hebben gewekt?
Zo luid staan ze daar te zingen, neen, te schreeuwen
alsof ze zich gehergroepeerd hebben en
in nieuwe formaties aan de hemel zijn opgedaagd.
Een tijdje trokken ze zich terug om zich te bezinnen
op hun beurt, wij bezinnen ons al zoveel,
om dan weer met vernieuwde helderheid te herrijzen
in de vuurlinie van de nacht. Er zou nu overal
terwijl de mensen slapen een alarm,
een onrust minstens op zijn plaats zijn,
een bijzondere waakzaamheid. Is het daarom
dat je het water aan de randen aankomen
hoort, rollend in golven hoort ruisen tot hier,
veel luider dan normaal? Je voelt de neiging
om te gaan kijken, om op te staan en in je nachtkledij
een wandeling tot daar te ondernemen, in de greep
van wat het water zeggen wil terwijl de machtige
sterren er boven stralen in toch herkenbare
oktobervormen, de oogst van een heel sterrenjaar.
Dat water kan in het duister juist zo rimpelloos zijn
en je bijzonder aantrekken zelfs om erin te gaan
en te zwemmen, naakt. Niemand ziet hoe jouw slag
des nachts plots rustiger wordt,
alsof je koninklijk zwemt : steeds trager, steeds meer
een eenheid vorm je met de zwarte massa
die niet zwaar aanvoelt, maar licht. Ja, het water
is atletisch, niet jij. Jij bent dan een zwaan in de nacht,
een witte schaar van handenarmen en benenvoeten
juist onder het inktachtige wateroppervlak.
Zou je dit nu ook durven, geheel alleen, dit heldhaftige
moedige te water gaan in dit voorochtendlijk
uur om krachtig te slaan in de golven?
Een warme wind streelt je bovendrijvende,
kalm ademende hoofd. Steeds nieuwe, goede nachtlucht
wordt aangevoerd. Jouw prevelen in de nacht zal
een groet zijn aan unieke, duizendvoudige sterrenkracht.
Misschien jaagt een eerste tuig al over de oudromeinse
weg naar de provinciehoofstad toe en ook van een wild
geparkeerd autoexemplaar loeit af en toe
de ongeruste sirene.



Wilbert Lambrechts, WIE JIJ OOK MOGE ZIJN, p. 14
Berchem, 2002

woensdag, september 13, 2006

PURE TIJD

Kort voor de avond valt en ’ t duister wordt
een wandeling te maken langs het water
aan het stille strand, de wolken te zien
dralen bij de berg van gindse overkant waar na
een tijd het licht in huizen dan de nacht ontsteekt,
terwijl mijn passen zich nu keren langs een pad
door ’ t hoger wordend gras het dorp
weer in (geen mens kom ik zo laat nog tegen hier),
betekent blootgesteld te zijn aan pure tijd
die nooit meer, met geen macht te breken is
en toch zo licht vergeten wordt daarna, als dan
het nieuws weer door het huis geslingerd wordt,
of zaken gaan weer bij hoogdringendheid
dat andere voor. Besef vannacht je diepste spoor.


Wilbert Lambrechts, DE SPREUK VAN PIANELLO, p. 21
Antwerpen, 2003

zondag, september 10, 2006

IKOON

ON FOOT WITH MY VISION

Hoe kan toch in dit land
van zuur en ontevreden
op trieste welvaart teren,
het vuur weer aan,
de warmte weer gevonden,
de armoe spreken
van elk ding zijn recht?

Toch niet als niet - met
wind op onze wangen- wij weer
de wegen gaan
en eenzaamheid bij iedere stap
een nieuw gesprek noodzakelijk maakt
met zelfs de ongenoodste gast
als laatste kans en oudste godendans,
een mens zo weer religie
krijgt, natuur een nieuwe dag,
het land zijn eigen vleugelslag.


Wilbert Lambrechts, voor het eerst gepubliceerd in
DE SMAAK VAN DEZE WERELD fragmenten over wandelen (2005)

zondag, september 03, 2006

ZELFGEKOZEN VERTREK

Alweer een mens die is verdwenen
Omdat hij niet meer leven wou;
Alweer gaat ieder moeten wenen,
Klinkt zelfverwijt en diep berouw
Uit goede, hopeloze zielen
Die vrezen zelf de schuld te zijn.
Wat zat hem dreigend op de hielen
In zijn verborgen woeste pijn?
Ziet hij hoe nu geleden wordt,
Bemind, getroost, geschreid, omhelst,
Ontgaat hem wat z’ n kinderen schort
Of wil hij helpen om ter snelst
Al wie hij zo verlaten heeft
Terwijl hij eigenlijk niet meer leeft?


WILBERT LAMBRECHTS, ongepubliceerd

VERWACHTING

Traag wentelt zich iets de trap op
naar leven en licht, het zweeft

buiten in de lucht al, het komt
met buitelingen van woorden

en gestamel in stilte,
het kent geen onzin

maar ontkent ieder patroon,
het is een eiland, een zon,

een wiel dat rolt, een kind,
een zee die woelt langs kusten

en toch draalt bij schuim en tijd.

Wilbert Lambrechts, DISTICHON of de sporen van dag en nacht.
Nog te verschijnen. Antwerpen, 2006

vrijdag, september 01, 2006

SLAAP MET CHRISTUS

Het schijnt dat nu de sneeuw gaat komen.
Zie hoe de lucht zich langzaam sluit
In witte, grijze en donkere tonen;
Het licht gaat telkens aan en uit.
De dag, te kort, heeft feest gevierd
Binnen de muren van de huizen:
Er is gedacht, gezongen en gegierd.
Ik zat hier dingen uit te pluizen,
Tekenend de jonge Christus die
een vrouw als duistere bijslaap hield.
Zij sloot haar ogen, Hij zei: “zie,
door deze hoge droom bezield,
word ik je metgezel, jij vrome!”
Het schijnt dat nu de sneeuw gaat komen.

Wilbert Lambrechts, ongepubliceerd, 2005