ZES
Alle nummers in de speeltuin afgewerkt,
de ringen één voor één voor en achterwaarts.
Het water in dan maar, kikker schaar knip,
een vrije sprong, volledig ondergaan en duiken.
Het zwemmen neemt zijn eerste vaart.
Een derde fiets groeit mee met armen, benen,
op stoepen moeten mensen steeds maar uit de weg.
De tanden vallen uit en kiezen dringen binnen
en woorden stromen onbeperkt verhalen door,
totdat het ongezegde strop zit in haar lijf
en lastige momenten in haar komen plots
als onverwachte onweersstormen in een bos.
In armen is de liefkozing dan zoet en kalmte brengt dan
een verhaal, een spelletje tezamen doet ook goed.
Lang leve Astrid Lindgren die in haar boeken leeft
en eeuwig kindertijd aan kinderen hergeeft.
Uit alle namen komen letters voort, de hoofdletters
van eigennamen: ze zet er zeven op een blad.
En tellen gaat ook al in talen die nog staan te wachten:
van uno, due, tre klimt het op tot sedici.
Ein verflixter Kerl, zegt ze na, want alles merkt ze op
in het gesprek dat mensen dagelijks staan te doen.
Maar allerliefst het spel alleen met poppen
en verkleed, verzonnen in de nabootswerelden
van haar geluk. Vertellingen die niemand ooit verstaat
maar die wel op en omgaan als de zon doet met de dag.
Zij staat dan dansend middenin dat kleine leven.
En stel je dan nog haar vriendinnen voor,
met wie ze spelen moet tot aan het einde van haar leven.
Blijven slapen kan en blijven slapen eeuwig moet.
De juf is wezenlijk haar leven in de Hazelaar,
ze deelt het spel als oudste van de klas,
geen andere kinderen houden haar bezet,
ze zingt de strofen tot op hun laatste woord.
Ze weet dat papa mama vrienden zijn voorgoed.
Straks naar de circusschool en naar de eerste klas,
maar waarom hebben wij als alle anderen geen tuin?
Hoe heerlijk zou dat zijn.
